Staatssecretaris Keijzer (Economische Zaken) wil in de wet gaan vastleggen dat de betalingstermijn van grote bedrijven aan het MKB wordt verkort naar 30 dagen.

Keijzer schrijft dat, mede namens minister Dekker (Rechtsbescherming), in de brief die samen met het evaluatierapport over de Wet betaaltermijnen grote bedrijven aan de Tweede Kamer is gestuurd. De wet is in 2017 van kracht geworden en moet onredelijk lange betaaltermijnen (van langer dan 60 dagen) tegengaan. Onderzoeksbureau Sira Consulting heeft onder meer bekeken wat het effect is als de betaaltermijn van 60 dagen wordt teruggebracht naar 30 dagen.

Normerende werking

Sira zag een lichte toename van de betaaltermijn van grote ondernemingen naar MKB-ondernemingen tot 41,4 dagen. Dat zou te maken hebben met de normerende werking van de wet, waardoor sommige ondernemingen ervoor kiezen om hun contractuele betaaltermijn naar het wettelijk maximum van 60 dagen te verhogen. Lange contractuele betaaltermijnen zijn vooral een probleem voor startups en of bedrijven die te maken hebben met een snel groeiende of dalende omzet.

Over het algemeen vinden leveranciers van diensten en ZZP’ers contractuele betaaltermijnen langer dan 30 dagen te lang. ‘Zij hebben namelijk de dienst al geleverd, kosten gemaakt en hebben doorgaans geen mogelijkheid om zakelijke zekerheidsrechten te vestigen voor hun vordering. Een snelle betaling ligt daarmee voor de hand.’ MKB’ers zijn wel positief over het aanscherpen van de wettelijke betaaltermijn, als dit leidt tot het verbetering van het betaalgedrag. Grote ondernemingen zien een verkorting niet zitten.

Geen verbetering

Hoewel de contractuele betaaltermijnen over het algemeen worden nagekomen, ziet Keijzer wel dat een aantal grote ondernemingen de betaaltermijn oprekt. ‘De laatste cijfers van Graydon over het betaalgedrag van grote ondernemingen richting MKB-ondernemingen hebben geen verbetering laten zien. Ook geven veel ZZP’ers aan dat ze betaaltermijnen van meer dan 30 dagen als te lang ervaren. Nederland kent op dit moment ruim 1 miljoen ZZP’ers, dus dit raakt een groot aantal ondernemers.’ Keijzer en Dekker werken daarom aan een wetsvoorstel waarbij de betaaltermijn voor betalingen van grote ondernemingen aan MKB-ondernemingen van 60 naar 30 dagen wordt teruggebracht. ‘De voordelen van een aanscherping wegen zwaarder dan de nadelen die door grote ondernemers zijn genoemd. De crisis waarin we ons thans bevinden, heeft ook zijn weerslag op de betaaltermijnen. Een aantal grote bedrijven heeft eenzijdig besloten de afgesproken betaaltermijn op te rekken. De betrokken bedrijven zijn door mijn ministerie aangesproken en hebben toegezegd zich aan de afgesproken betaaltermijn te houden. Juist in deze tijd van crisis is het van essentieel belang dat alle ondernemingen zich aan de afgesproken betaaltermijn houden. De huidige situatie laat te meer zien dat MKB-ondernemers beter beschermd dienen te worden tegen onredelijke betaaltermijnen.’

Meer toezicht

Keijzer wil ook meer toezicht op naleving van de betaaltermijnen: ‘De onderzoekers geven aan dat MKB-ondernemers wanneer de afgesproken betaaltermijn wordt overschreden geen gebruik maken van bestaande juridische invorderingsmiddelen voor niet-naleving. MKB-ondernemers verwachten dat de relatie onder druk zal komen te staan als ze de wettelijke handelsrente willen vorderen. Dit is een zorgelijke conclusie. Ik vind het belangrijk dat ondernemers wanneer zij daar aanleiding voor zien hun rekeningen tijdig moeten kunnen incasseren.’ Keijzer ziet een rol voor de brancheverenigingen om hun leden aan te sporen zich aan de wettelijke en contractuele betaaltermijnen te houden. ‘Daarnaast bezie ik of het mogelijk is dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) binnen haar bestaande infrastructuur gedurende één jaar klachten en meldingen registreert van MKB-ondernemers over het niet naleven van de regels met betrekking tot betaaltermijnen.’ Aan de hand van de resultaten gaat ze kijken of publiek toezicht mogelijk en opportuun is.

De Wet homologatie onderhands akkoord (Whoa) regelt dat noodlijdende bedrijven met hun schuldeisers bindende afspraken over herstructurering kunnen maken, voordat het tot insolventie komt

In het kort

  • Na zevenenhalf jaar is de Wet homologatie onderhands akkoord eindelijk aangenomen.
  • Die regeling kan faillissementen als gevolg van de coronacrisis te helpen voorkomen.
  • De discussie over het faillissementsrecht loopt door, bijvoorbeeld over ‘fundamentele’ verdelingsvraagstukken.

De Tweede Kamer heeft dinsdag met algemene stemmen een wet aangenomen die moet helpen voorkomen dat bedrijven failliet gaan. Dat levert behoud van banen en waarde op, is het idee. Nu veel ondernemingen door de coronacrisis op omvallen staan, hebben juristen en de polder aangedrongen op snelle invoering van de regeling.

Het gaat om de Wet homologatie onderhands akkoord (Whoa). Die regelt dat noodlijdende bedrijven met hun schuldeisers bindende afspraken over herstructurering kunnen maken, voordat het tot insolventie komt. Indien nodig kunnen dwarsliggende crediteuren door de rechter gedwongen worden om mee te doen.

Onthamerd

Lange tijd leek de Whoa een hamerstuk te worden, maar Kamerlid Stieneke van der Graaf (ChristenUnie) dwong toch nader debat af. Haar belangrijkste inzet was het beter beschermen van kleine schuldeisers, vaak mkb-leveranciers van grote bedrijven.

Na de ‘onthamering’ ontspon zich alsnog een publieke discussie. Juristen namen elkaar op de korrel in een reeks opiniestukken en vakpublicaties. Een groep voorstanders van de Whoa zoals voorgesteld door minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker richtte zich ook in stevige bewoordingen tot de ‘dwarsliggende’ Kamerleden.

Zij voerden onder meer aan dat de nieuwe wet snel ingevoerd moest worden om bedrijven beter door de coronacrisis te kunnen helpen. De Kamerleden stonden evenwel op een inhoudelijke behandeling. De expliciete doelstelling van advocatenkantoren om van Nederland een internationale ‘insolventiehub’ te maken wekte bovendien de wrevel van Whoa-sceptici.

Aanpassingen

Uiteindelijk wisten Van der Graaf, Michiel van Nispen (SP) en Henk Nijboer (PvdA) te bedingen dat kleine schuldeisers in beginsel 20% van hun claim terugzien. Als dat er niet in zit, moet de schuldenaar duidelijk uitleggen waarom. Ook kunnen financiers die een onderpand hebben niet langer eisen dat ze de faillissementswaarde van hun vordering in contanten uitgekeerd krijgen, omdat dat het sluiten van een akkoord zou bemoeilijken. Die waarde is meteen ook het maximumbedrag dat zekerheidsgerechtigen in een akkoord kunnen claimen.

Twee andere amendementen redden het niet. Nijboer ageerde tegen de volgens hem al te sterke positie van aandeelhouders die ook leningen met onderpand verstrekken, maar Dekker wilde die zekerheidsrechten niet schrappen. Ook zag de minister niets in een beperking van de mogelijkheid voor aandeelhouders om te blijven zitten, ook als schuldeisers een afschrijving voor de kiezen krijgen.

Discussie over insolventierecht loopt door

Nog steeds zijn juristen het niet eens over wat nu precies de ideale Whoa is. Zo schrijft insolventieadvocaat Nicolaes Tollenaar in een reactie op de aangenomen amendementen dat ze de regeling ‘minder goed hanteerbaar’ maken. Voorstanders van het initiële Whoa-voorstel hebben bij herhaling gesteld dat het niet verstandig is om zo’n ingewikkelde wet op onderdelen aan te passen.

Hoe de Whoa (die nog wel langs de Eerste Kamer moet) in de praktijk werkt, zal in de coronacrisis waarschijnlijk snel blijken. In de wet is een evaluatiemoment over drie jaar opgenomen.

Zogenoemde ‘verdelingsvraagstukken’ (wie krijgt wat als een bedrijf failliet gaat?) zijn buiten de Whoa gebleven. Terecht, zegt advocaat Job van Hooff van Stibbe. ‘Dat is een fundamentele vraag, die ook fundamenteel behandeld moet worden: voor het insolventierecht als geheel, en niet alleen voor de Whoa.’

Minister Dekker heeft in antwoord op een motie van Van Nispen beloofd onderzoek te zullen doen naar de rangorde van schuldeisers in faillissement.